Wat is communicatie?

 

Communiceren doet iedereen. Het is namelijk informatie uitwisselen. Het is het duidelijk maken van je wensen, mening, behoeftes. Je hebt een boodschap, die je overbrengt naar een ander. De ander begrijpt dit en geeft wellicht een boodschap terug. Het is voor mensen een belangrijke behoefte in het leven.

Het is ook mogelijk dat de communicatie fout gaat, je begrijpt elkaar niet. Wie niet goed zijn boodschappen kan overbrengen, raakt gefrustreerd, somber en eenzaam.

 

Communicatie zie je al vanaf de geboorte. Er wordt dan gelijk totaal gecommuniceerd. Mensen kijken naar een baby, wijzen, houden het vast. En het kind herkent daar al snel iets in waardoor het zich goed voelt.

 

Totaal communiceren wil zeggen dat je op verschillende manieren je boodschap overbrengt. Deze vormen worden tegelijk of naast elkaar gebruikt.

 

Voorbeelden van communicatievormen zijn:

Mimiek, lichamelijk contact, oogcontact, melodie, intonatie, voorwerpen, foto’s, pictogrammen, tekeningen, spraak en gebaren.

 

De beste manier om je boodschap over te brengen is door totaal te communiceren. Dit houdt in dat alle manieren zijn toegestaan zodat je boodschap goed overkomt. Hierdoor is de kans op een geslaagde communicatie veel groter. Het niveau van je communicatie moet altijd aangepast zijn aan diegene met de meeste communicatieproblemen, aan diegene met het laagste communicatieniveau. Want diegene kan zich niet aanpassen aan jouw (hogere) niveau.

 

Niet alle mensen kunnen dus met alle vormen overweg. Waar is dat van afhankelijk?

Dit is afhankelijk van spraak/taalproblemen, intelligentie, motoriek, zintuiglijke waarneming, psychische aspecten (vermoeidheid, concentratie) en communicatieniveau.

 

Wat zijn de communicatieniveau’s?

Er zijn 4 niveau’s, namelijk sensatie, presentatie, representatie en metarepresentatie.

 

Sensatieniveau

 

Een pasgeboren baby communiceert onmiddellijk op sensatieniveau. Sommige mensen blijven altijd op dit niveau communiceren. Hierbij zijn de sensaties het belangrijkste, dit wil zeggen alle prikkels van de zintuigen. Dus geuren, geluiden, voelen, proeven en zien van o.a. bewegingen, licht. Er wordt geen betekenis aan gekoppeld. Het is de eerste letterlijke waarneming. Ook mensen worden op die manier waargenomen. Ze hebben nog geen naam of functie. Mensen zijn als effectmateriaal; “ik schreeuw en het reageert”.

Mensen die op dit niveau communiceren, kun je niet voorbereiden op de toekomst of veranderingen. Je kunt ze wel herkenning geven, waardoor ze zich meer op hun gemak voelen of minder angstig zijn. Denk daarbij aan vaste voorwerpen, vaste tijdstippen, vaste volgorde van activiteiten, geuren en routines. Dus structuur en dagritme met herhalende sensaties. Bijvoorbeeld een fles voor een kind op dit niveau is een speeltje. Het heeft geen betekenis, het verwijst niet naar drinken. Maar dezelfde fles, op dezelfde tijdstippen met de bekende geur van melk, gegeven door moeder in de huiskamer, geeft een gevoel van vertrouwen en herkenning.

Op dit niveau wordt aan de communicatie door de gesprekspartner betekenis verleend. Het kind huilt, moeder denkt dat het honger heeft.

 

Presentatieniveau

Wanneer iemand zich al wat verder ontwikkelt binnen de communicatie, krijgt hij al meer grip op de omgeving. De situatie geeft de persoon informatie over wat de bedoeling is. Hij neemt nog wel letterlijk waar. Hij kan zich niet iets verbeelden wat er niet is. Dus een beker is pas een ding waar je uit kunt drinken als er ook echt drinken inzit.

Voorwerpen hebben nog geen verwijzende functie. Ze worden wel herkend na veelvuldig aanbieden en passend binnen de situatie.

Deze mensen op dit communicatieniveau kunnen herkenning tijdens de dag ondersteund krijgen met symbolen. Deze symbolen zijn aan te bieden in de vorm van inpuzzelen en matchen.

 

Inpuzzelen: twee voorwerpen die in elkaar of op elkaar passen.

Op dit niveau moet men associaties (relaties) voelen met het lichaam, waardoor herkenning optreedt.

Voorbeeld:

Het kind puzzelt een beker in een houder en de drinkactiviteit begint.

 

Één stap moeilijker is matchen: twee dezelfde voorwerpen/ pictogrammen/ foto’s/ tekeningen worden bij elkaar gelegd. Op dit niveau is sorteren van gelijken al goed mogelijk. De persoon gaat hierbij uit van de letterlijke waarneming, hoe iets eruit ziet.

Voorbeeld:

Het kind legt een pictogram op dezelfde pictogram en wordt verschoond

De tafel wordt gedekt. De cliënt weet door de situatie dat er gegeten gaat worden.

 

Op dit niveau heeft de taal heeft nog geen betekenis. Hierbij kan wel herkenning optreden nadat een woord veelvuldig aan een voorwerp of activiteit wordt gekoppeld. Spreken is vaak imitatie.

 

Tijdsbesef is moeilijk voor deze mensen.

Let op dat ze vaak informatie niet kunnen negeren, omdat ze alle prikkels waarnemen. Dit komt omdat ze er geen of met moeite betekenis aan kunnen verlenen. Alles lijkt even belangrijk. Hierdoor wordt er bij veel prikkels weinig goed verwerkt. Het is belangrijk dat dingen na elkaar worden aangeboden. Dus bijvoorbeeld eerst het voorwerp, dan het gebaar, dan het woord en dan samen ermee spelen.

 

Voorbeelden van spelletjes op dit niveau zijn eenvoudige (insteek)puzzels, sorteerspelletjes, lottokaarten, 2 dezelfde zoeken.

 

Representatie

Op dit niveau wordt de verwijzende functie begrepen. Dus een beker betekent “we gaan drinken”. De situatie er om heen is veel minder van belang. Verwijzers kunnen worden gebruikt om een andere situatie of activiteit te voorspellen. Mensen die op dit niveau communiceren kunnen zich dingen verbeelden. Afhankelijk van interesses en mogelijkheden kan er gebruik gemaakt worden van voorwerpen, foto’s, pictogrammen, tekeningen.

Verscheidene informatie kan worden samengevoegd tot een betekenisvol geheel.

Ook de taal wordt nu begrepen. Hierin zijn nog wel grote onderlinge verschillen. De taalleeftijd hoeft niet gelijk te lopen met de kalenderleeftijd of ontwikkelingsleeftijd.  

Symbolen worden begrepen, dus ook is het mogelijk (afhankelijk van IQ en interesses) iemand te leren lezen en schrijven.

Bijvoorbeeld:

-met pictogrammen kan iemand zelfstandig boodschappen doen. Ze weet wat ze nodig heeft.

-Moeder schrijft op dat ze naar de winkels is. De dochter leest dit en weet nu waar haar moeder is.

-De jongen pakt de beker. Hij wil drinken.

 

Spelletjes op dit niveau kunnen zijn: memory, kwartet, bingo, categoriseren, oorzaak-gevolg, spelletjes van het presentatieniveau. Bij dit niveau passen ook oefeningen voor o.a. woordenschat en taalbegrip, stappenplannen, reminders en takenborden.

 

Metarepresentatie

Op dit niveau kan men spelen met taal en betekenis. De tweede betekenis wordt toegekend. Zo kan een beker een hoedje worden (bewust), kunnen taalgrapjes en spreekwoorden begrepen worden.